STRAATVERHALEN

Winnen, winnen, winnen!


Hier wonen winnaars, daar was geen twijfel over mogelijk.

Ik liep de hoek om en botste bijna op een bewoner van de flat.
“We hebben die bekers samen verdiend!” – zijn ogen straalden.
“Met Tilburg kermis worden alle balkons versierd. Wie de mooiste gevel heeft krijgt een beker.
En de wethouder is ook aanwezig hé! Ons gebouw heeft ondertussen drie keer gewonnen.”

Ik vroeg hem waar dan het derde exemplaar stond.
“Haha, ja dat was een goeie: we hadden dat jaar gewonnen, maar er waren geen bekers!”

Schaterend liep hij weg, en schudde zijn hoofd.

__________

Vrolijke kunst


Een hoekje ‘vergeten wereld’: garageboxen in een doodlopend, verlaten steegje.
Hier wou geen mens dood gevonden worden.
Maar toen viel mijn oog op de appeltjes.
Ze leken met veel zorg opgehangen aan een blauw draadje en straalden iets vriendelijks uit.
Blokje om, en daar kwam ik Ingrid tegen.

“Tot voor kort was het daar een zooitje: pizzadozen, lege zakjes wiet,.. mensen deden er zelfs hun behoefte.”
En daar wou de kunstenares verandering in brengen.
“Ik verzamelde zo’n 800 stokjes uit het bos, plantte er de oranje calendula en hing de appeltjes op. Daar worden mensen toch blij van?!” Ze lachte breed.

Ik nam afscheid, en vervolgde vrolijk mijn weg.
In mijn cameratas een klein schilderijtje én calendulazaadjes.
Gekregen van Ingrid.

__________

Boot zonder naam


Het was altijd zijn jongensdroom geweest om op een boot te wonen.
“Sinds een jaar is dit mijn huis, maar het is soms best eenzaam”, vertelde hij eerlijk.

Ooit werd hij in Den Bosch tegengehouden door de waterpolitie.
Zijn boot had geen naam en dat was onwettig. De agenten verzochten hem aan te meren om plakletters te halen in een doe-het-zelfzaak.
“Ik heb toen een dikke witte stift gepakt en er ‘Keesje’ op geschreven.”
De politie zag er de humor niet van in: de boete bedroeg 65 euro.

Ik keek naar de half vergane letters op de romp. Voorzichtig vroeg ik wie Keesje was.
Hij wees naar zijn trouwe viervoeter die op zijn vaste plekje genoot van een laagstaande zon.

__________

Rust roest


“Mijn broer vroeg vijftien jaar geleden of hij hem even in mijn voortuin mocht zetten. En daar staat hij nog steeds.”
Uit de korte stilte die daarop volgde kon ik niet veel afleiden.

“Passanten stoppen hier om de haverklap. Ze maken foto’s en bellen aan met de vraag of hij te koop is. Volgens mij is die motor zelfs een herkenningspunt op de fietsroute die hier langsloopt.”
Zelf vergeet hij meestal dat hij er staat, behalve wanneer hij het gras moet maaien.
“Dat ding weegt tweehonderd kilo hé! Dat beweegt niet zomaar mee.”

Ik zag hem in gedachten worstelen met het loodzware beest. Een hete zon in zijn nek en fietsers die ondertussen stopten om een leuk kiekje te maken.
Er moet toch een reden zijn om hem daar zo lang te laten staan dacht ik, maar het ontbrak mij aan lef.

__________

Kou is een emotie


De kerkklok sloeg negen keer en daar kwam hij aangereden.
Hij parkeerde zijn auto net voor het hotel waar gasten zaten te ontbijten.
Vrolijk gestreept liep Bert in badjas de trapjes op, richting zeedijk.
Dat doet hij nu al veertig jaar lang.
Elke dag. Heel het jaar door.

“Ik ben eraan verslaafd, maar het blijft telkens een uitdaging. En in februari al zeker; dan is de zee helemaal afgekoeld.”
De roze badmuts ging op, de vrolijke streepjes uit.
Een zacht novemberbriesje duwde hem al richting zee.

Eenmaal terug vroeg ik hem hoe hij zich voelde. “Koud!”.. hij lachte breed enkele druppels zout weg.
__________

Kerstgedachte in een vogelhuisje


“Ik had er ooit een zien hangen en dacht: dat kan ik ook!”
Ondertussen maakt hij al vijf jaar lang huisjes voor mezen en mussen.
Ook insectenhotels, kerststalletjes, sleutelrekjes en zelfs ‘pindakaashouders’ prijkten op de kar.
Zijn zoon, die ondertussen zijn bouwbedrijf had overgenomen, zorgde voor het hout.

“De prijs hangt erop, maar soms vergeten mensen geld in de ‘kassa’ te doen”..
Hij wees naar het enige exemplaar dat goed was vastgeschroefd.
Plots constateerde hij dat er ook nu een vogelhuisje ontbrak.
Hij ging met zijn vinger in de kassa. Even een twijfelende blik.

“Ze zullen wel betaald hebben”, verzekerde hij me.
Die gedachte sierde hem en paste perfect bij de kar die nu verfraaid was met kerstlichtjes.

__________

Metser met pensioen


Hij had de vissen niet zelf gevangen, maar zijn grootvader viste lang geleden nog op zee. “Het viswezen zit in onze genen, hoewel ik zelf liever metser was geworden.. Dan was ik nu al lang met pensioen geweest.”

Rob was vijfenzeventig en reed al meer dan vijftig jaar rond met zijn charmante viskar.
“We hadden vroeger niet veel keuze hé.. als jouw vader visboer was, dan werd je dat zelf ook.”

Wat hij nu zou doen als hij een gepensioneerd metser was geweest?
“Dan was ik de vis in gegaan: goeie fileerders zijn nergens nog te vinden!”, riep hij vastberaden.

__________

Een gestrande reiziger


Een dik boek lezen op een parking langs de snelweg..
Zou dit zijn zondagse ontspanning zijn?
Kon hij echt niet wachten op de ontknoping?
Of had deze jongeman bewust zijn smartphone geruild voor een interessant stuk literatuur? Er was maar een manier om daar achter te komen, dus ik stapte uit.
Tom verloste mij graag uit mijn lijden: hij was piloot en had dit weekend ‘wachtdienst’.
“Ik woon niet in de buurt van het vliegveld en als ik een oproep krijg moet ik daar binnen het uur kunnen zijn. Het zou zo maar kunnen dat ik straks in Rome land.”
De gepassioneerde blik waarmee hij vertelde verraadde boekdelen: dit was zijn leven!
“Hopelijk krijg ik straks een telefoontje”, lachte hij.
We raakten verwikkeld in een leuk gesprek, maar een snedige en ijskoude wind maakte een einde aan onze ontmoeting.
’s Avonds schreef ik het verhaal neer en vroeg me af hoe het ondertussen met de piloot zou zijn.
Er waren twee opties: of hij was geland in Rome, of hij was toe aan een nieuw boek.

__________

Ochtendrood

Been uit bed: ‘links’.
Plan van de dag: ‘het zal wel’. 
Bestemming: ‘God mag het weten’. 
Die ochtend reed ik compleet doelloos over de snelweg. Tot in mijn rechterooghoek een rode stip verscheen.
Ernaast een wit bord met iets wat een telefoonnummer moest voorstellen.
Zouden er echt mensen zijn die dat nummer bellen?

“Oh ja, hoor! Ik krijg dikwijls telefoontjes, en de gekste verhalen eerst. Ooit belde iemand op die er een week had over gedaan om het nummer te noteren.. elke dag een stukje.” Franck lachte geamuseerd.
“Maar wat het allerbelangrijkste is: door de auto’s ontmoet ik mooie mensen. Elke keer weer.”

De rode stip bleek een Toyota Corolla te zijn uit 1977. Een auto ‘met smoel’, om Francks woorden te gebruiken.
Vanop de wei waar hij nu al 15 jaar zijn koopwaar uitstalt, keken we naar voorbijrazend verkeer. Af en toe getoeter.

Wanneer hij ooit zou stoppen met auto’s verkopen? 
“Als de mooie mensen op zijn”, antwoordde hij resoluut. “Of als deze mooie mens zelf op is.”

__________